Floris Paalman over Cinematic Rotterdam

dinsdag 20 december 2011

Onlangs verscheen Cinematic Rotterdam van Floris Paalman, een omvangrijk en rijk geïllustreerd boek over film en stedelijke identiteit. Als leidraad neemt Paalman de ontwikkeling van de identiteit van Rotterdam tussen 1920 en 1980, aan de hand van duizenden promotionele en educatieve films en tv-programma’s. Floris Paalman is onderzoeker aan de afdeling Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam.

Wat is het uitgangspunt geweest voor Cinematic Rotterdam?
‘Het boek gaat in op de rol van film in stedelijke ontwikkeling. Media zijn in de moderne maatschappij alomtegenwoordig geworden, in een wereld die steeds meer verstedelijkt. Dit boek betrekt deze zaken op elkaar, voor de periode 1920-1980, met Rotterdam als case-study, om daarmee inzicht te krijgen in het ontstaan van de moderne stad. De relatie tussen media en de gebouwde omgeving staat centraal, maar er worden relaties gelegd met andere cultuurverschijnselen. In de loop van het onderzoek is, tot mijn verrassing, gebleken dat er duizenden audiovisuele producties bestaan die op de een of andere manier betrekking hebben op Rotterdam. Dit loopt uiteen van journaals tot speelfilms.’

In hoeverre speelt literatuur een rol met betrekking tot je onderzoek naar film in de stedelijke ontwikkeling van Rotterdam?
‘Er zijn films zijn die een relatie hebben met literatuur, en er speelt ook nog wat anders, namelijk dat filmstudies deels is ontstaan vanuit de literatuurwetenschap. Zo worden filmmakers beschouwd als auteurs, gaat de nodige aandacht uit naar fictie en verhaalstructuren, worden films ingedeeld in termen van nationale cinema, waarbij taal een belangrijke rol speelt, en is er binnen filmwetenschappelijk onderzoek letterlijk sprake van tekstuele analyse. Ik laat ook andere perspectieven zien. Filmmakers, evenals architecten en beleidsmakers bijvoorbeeld, positioneer ik binnen netwerken en sociale systemen. De nationale cultuur wordt niet langer als kader genomen, maar die van de stad. Daarmee wordt ook een directe relatie tussen medium en de omgeving gelegd. Mijn onderzoek gaat bovendien uit van sociaalwetenschappelijke methoden. In zekere zin gaat het om antropologisch veldwerk, met de moderne samenleving als exotische beschaving.’

Wat is er specifiek Rotterdams aan de films die je onderzocht?
‘Een belangrijke gedachte in het boek is dat films niet los gezien kunnen worden van andere media en de algemene ontwikkelingen waar ze deel van uitmaken. Filmhistoricus Thomas Elsaesser spreekt van Medienverbund: verschillende media kennen een gemeenschappelijke agenda. Ik heb deze visie gekoppeld aan de antropologische theorie van culturele ecologie, zoals voorgesteld door Julian Steward in de jaren vijftig. Steward spreekt van een ‘cultuurkern’ die uitstraalt naar verschillende richtingen. Voor Rotterdam is de haven van cruciaal belang voor de identiteit van de stad. Dat uit zich ook in het soort films die er gemaakt zijn, waaronder veel toegepaste producties. Filmmakers werkten vaak op verschillende terreinen, zowel kunstzinnig als commercieel, die niet los van elkaar gezien kunnen worden.
Een vergelijkbaar argument kan ook worden gemaakt voor de literatuur. Denk bijvoorbeeld aan Hans Sleutelaar en Cornelis Vaandrager in de jaren zestig; hun poëzie en reclamewerk waren destijds met elkaar vervlochten. Iets soortgelijks is ook veelal te zien binnen de journalistiek. In plaats van bepaalde zaken te scheiden is het interessant om naar de relatie ertussen te kijken. Dan komt een gelaagdheid en complexiteit naar voren, waaruit een eigen dynamiek ontstaat, zeker in het geval van Rotterdam.
Kijk naar Jan Schaper. In de jaren zestig runde hij de Open Studio, die aan ruim duizend producties meewerkte, voornamelijk voor televisie. Ook maakte hij opdrachtfilms, voor bedrijven in de haven, maar ook elders. Tegelijkertijd realiseerde hij, deels op eigen initiatief, diverse documentaires. De bekendste is Stad Zonder Hart, uit 1966, waarmee hij kritiek gaf op het moderne naoorlogse Rotterdam. Schaper begon zijn carrière als journalist bij Het Vrije Volk, begin jaren vijftig. In die tijd manifesteerde hij zich ook als fotograaf en maakte een serie foto’s over de Lijnbaanjeugd. Ze werden gepubliceerd in het Algemeen Dagblad, in 1957, en gingen vergezeld van een reeks reportages die geschreven werden door Vaandrager. Beiden kregen hiermee bekendheid.

In Cinematic Rotterdam heb ik steeds gekeken naar de wijze waarop de omstandigheden hun neerslag hebben op de inhoud van de films, er in wezen mee samenvallen. Daarin vormt film, en dat geldt voor literatuur evengoed, niet alleen een reflectie op wat er zich afspeelt, maar maakt er deel van uit. In het boek gaat het om de ontwikkeling van de moderne stad, en film is daarbinnen een actieve factor, die gerelateerd kan worden aan andere factoren, waaronder literatuur. Wat dat betreft kan er nog veel ontdekt worden, zeker in Rotterdam.’

(EB)

Floris Paalman, Cinematic Rotterdam
hardcover, 688 pp, € 39,50
010 publishers


Floris Paalman, © Eduard Lampe