Ellen Heijmerikx - Wij dansen niet

Een nieuw mens
Als Janne en IJze op een woensdagmiddag uit school komen, is de radio verdwenen van het dressoir. De platenspeler is weg, en een spreuk in een lijst verkondigt: ‘De Here is mijn herder, mij ontbreekt niets’. Als het gezin in Ellen Heijmerikx’ roman zich bekeert tot het behoudende christendom, verdwijnen strikken van jurken en mag Janne niet langer meedoen aan toneelstukken en danslessen: ‘Wij dansen niet’. In de moestuin begraven Janne en IJze hun oude kleding. Janne en haar oudere broer spelen na wat zij de ‘broeders’ hebben zien doen: ‘Eerst leer je het verschil zien tussen goed en kwaad en daarna leg je alles wat kwaad is af. Dat doe je uit, zoals je een jas uitdoet. Dan word je een nieuw mens. Een mens zonder zonden. Een zegen voor je omgeving.’

Oktober. Wijnmaand, reuzelmaand, eikelmaand
Ellen Heijmerikx (1963) schetst in haar roman een gezin dat kort na de oorlog opgroeit onder de rook van de Hoogovens van IJmuiden. Het eerste hoofdstuk speelt in januari 1959, het laatste in januari 1960. Heijmerikx vertelt chronologisch, zonder flashbacks of vooruitwijzingen. Kleine jantjes die onafgebroken kwetterden (winterkoninkjes dus), het paard van de schillenboer, de hond van achterbuurvrouw Merckelbach… Heijmerikx’ beelden en personen zijn niet echt verrassend, om niet te zeggen traditioneel. Dat geldt ook voor zinnen als ‘De wind joeg de regen tegen het raamkozijn’. Op de eerste zes bladzijdes beginnen al drie scènes met oude Nederlandse maandnamen (als: ‘Januari 1959. Louwmaand, looimaand, klaagmaand’), en dat gaat het hele boek zo door. Als het regent, laat een jas een ‘heksenkring druppels’ vallen. In de kerk ziet Janne plotseling een ‘bok aan de ketting’, een ‘hoornbeest’. Wat de functie van die onrealistische, magische beelden is, blijft onduidelijk. Ze doen afbreuk aan de rustige, natuurlijke verteltrant, komen gewild literair over en werken soms onbedoeld op de lachspieren: ‘Oma Bos was opgestegen uit de lampetkan’.

Pollepel
Er zit weinig spanning in het boek. Het verhaal komt traag op gang – pas op een derde van de roman bekeert het gezin zich – en kent weinig ontwikkeling. Het draait om kleine kinderen die bij hun ouders wonen en bij hun ouders blijven. Je vraagt je af wat er voor de hoofdpersoon eigenlijk op het spel staat. Onduidelijk blijft waarom Janne zo open staat, en open blijft staan voor het geloof, terwijl in haar broer kort voor het einde van de roman de ‘oude mens’ opstaat. ‘Laat ze naar de hel lopen met hun schijnheilige koppen’, zegt IJze. En: ‘Ik pak ze allemaal terug’. Dan wordt het spannend, denk je als lezer. Maar dat is tien bladzijdes voor het einde. En wat gebeurt er eigenlijk voor ergs? Janne krijgt een paar tikken met een pollepel – maar die pedagogische tik kwam in de jaren vijftig wel vaker voor. Er is, kortom, geen groot conflict rond de personages, die ook te jong zijn om een innerlijk conflict goed uit te beelden. Het boek blijft dan ook achter bij de boeken van Maarten ‘t Hart, Jan Siebelink en Franca Treur, die hetzelfde thema dramatisch sterker, met meer oog voor detail of juist verfrissend licht beschrijven.

Jerker Spits

Ellen Heijmerikx, Wij dansen niet
paperback, 160 blz, € 16,95
Nieuw Amsterdam, ISBN 978 90 468 1059 0