Laura Broekhuysen - Hellend vlak
Wonderlijk gezin
Wij wijzen: ‘Die adelaar op de rots, dat is Gammur. Hij waakt over de Westfjorden. Zo ver als hij scherp kan stellen zonder een andere adelaar op te merken, heeft hij patent op het zwerk, indringers gedoogt hij maar ternauwernood, wil Gammur je dood dan maakt hij je dood.’
In Hellend vlak, het derde boek van Laura Broekhuysen (1983) waakt Gammur – hetgeen grappig genoeg (aas)gier betekent – over een fjord in IJsland. Vanaf grote hoogte overziet hij het ‘kleine volkje’ waarvan de samenstelling onduidelijk blijft, maar dat allerhande sprookjesachtige figuren omvat. Lidewijde – kortweg Liet genoemd – groeit hier op als dochter van twee musici, Wobke en Edward. Zijn al die figuren aan haar eigen fantasie ontsproten? IJlt ze, koortsig ten gevolge van de pus in haar te kleine hoofdje, of wedijveren de sagen en legenden met de dagelijkse werkelijkheid?
Niet tastbare wereld
Broekhuysen schetst vooral een wereld zoals een kind die ziet, dat nog maar half kan duiden waar de ‘werkelijkheid’ om haar heen over gaat. Ze gebruikt daarbij regelmatig een ‘wij’– of een ‘je’– perspectief, hetgeen vervreemdend werkt en de vaak wat afstandelijke verhoudingen binnen het gezin benadrukt. Liet is de jongste van het gezin waarin ze regelmatig haar broers probeert te tellen – het zijn er misschien wel zes of zeven – die zich plagerig als één man lijken te bewegen. Als ze op hun zusje moeten passen, trekken ze een cirkel om haar ‘persoonlijke berkenboom’ en vertellen haar dat ademhalen slechts mogelijk is binnen de lijnen van deze denkbeeldige luchtbel. In die begrensde ruimte voelt ze zich veilig en onveilig tegelijk. Liet, die over een fabelachtig zuiver gehoor beschikt, ervaart de stoffelijke en een niet tastbare wereld op wonderlijk wijze in zichzelf. Zelfs ‘de hoogste geluiden die je niet met je oren maar wel met je ogen kunt vangen’ worden voelbaar.
Dreiging
Broekhuysen, die zelf violiste is, beschikt over een heel eigen zintuiglijke taal. In alles klinkt muziek door, hetgeen het beeld van het muzikale gezin en ook de vioolspelende oom en tante (met een eveneens onduidelijk aantal dochters) versterkt, maar tevens dreiging weet op te roepen: ‘De afwezigheid van jouw lichaam beïnvloedt de akoestiek in het hele huis, onze stemmen kaatsen op kale muur, het klinkt hol in de leegte, we horen liever hoe onze stemmen jou tegen de borst stuiten.’
De sinistere dreiging komt gaandeweg steeds meer aan het licht. Bestaan de broers wel echt, of zijn ze eigenlijk onderdeel van een sprookje over zeven broers die veranderen in raven? De adelaar waakt spiedend in de lucht, maar wie loeren er nog meer door kieren en gaten? Is het de kwade sprookjesvrouw Gryla uit de bovenste bergen die onverwacht de vierde hoek – die waarschijnlijk staat voor de dood – om komt op zoek naar stoute kinderen?
Vreemd theaterstuk
Hoewel de verhaallijn wat mager is en de personages weinig worden uitgediept, is het vooral het poëtische taalgebruik dat intrigeert. We volgen een wonderlijk gezin gedurende het verglijden van de haast tastbare seizoenen. Edward, die zich regelmatig voor langere tijd terugtrekt in de kelder, en Wopke, die als ‘misleidend en huichelachtig moedertje’ wordt omschreven, schijnen het zelden met elkaar eens te zijn. Hun vrije opvoedkundige opvattingen vormen het decor van een vreemd theaterstuk dat van de lezer de nodige concentratie vraagt en vermoedelijk extreme voor- en tegenstanders zal kennen.
De vermoedens van Liet blijken uiteindelijk juist – ze werd in de gaten gehouden – en stijgend naar steeds grotere hoogte wordt het volkje steeds kleiner. ‘Misschien ben je een geluksvogel als je het vierde hoekje hebt gevonden’.
Marc Brester
Laura Broekhuysen, Hellend vlak
paperback, 214 blz, € 18,95
Querido, ISBN 978 90 2144 019 4
